
Vroeger waren wij geen ander gezin dan anderen. Wij hadden dus ook van dat bloemetjesbehang. Ik zeg het je, een kwelling voor de huismuren, huiskamers en vooral de mensen in die huiselijkheid. Ik herinner me nog één specifiek voorval. Grieperig en met veel te hoge koorts lag ik in bed. Al ijlend welteverstaan. Maar al die bloemetjes leken op me af te komen en me te verstikken. Een ware nachtmerrie, zou haast durven zeggen dat het een ietwat posttraumatisch fobieachtig staartje heeft gekregen. Want bloemetjes, schoon. Maar dan in de tuin of op een vensterbank, in de zwarte aarde waaruit ze ontkiemen. Niet boven onze hoofden alleszins. Anderzijds ben ik tussen die muurbloempjes ontmaagd. Door de buurjongen nog wel. Hij had die papieren bloemetjes altijd al ongelooflijk romantisch gevonden, en zo onschuldig. Het wond hem op, geloof ik. En dat bloemetjesveld was een zalfje op de gekwelde naakte lichamen van twee argeloze pubers die elkaar zochten en vonden om dan te versmelten. Met stuifmeel gestoffeerd leek het niet meer dan een simpel huiskamerspeeltje.
Soit. Schetsen op het bloemetjesbehang dus.