
Het wordt ochtend. En blauw wordt wit. Vaalwit eerst. Een straat leek nooit zo onschuldig. Een stilleven nooit zo stil. En de stilte wordt minder ijzig naargelang het steeds meer wit. Meer zwijgzaam. Alsof mensen moe zijn gepraat. Of hun stembanden een poolse ijsvlakte waar je alleen maar op uitglijdt. Ik vraag me af of het voor mensen soms te pijnlijk is, al dat wit. En de kilte waarin dat wit alleen maar kan bestaan. Ik drink mijn koffie en lees dat de vogel (dierbare vrouw) van Christian Beck zal sterven. En hoe hij haar vraagt of ze wil leven en zei hem antwoordt: ja graag. Hij begrijpt het niet. Hoe ze met een lauwwarme graag zijn vraag beantwoordt, alsof het om een kopje thee zou gaan. Hij verwacht een ijskoude dierlijke 'ja'. Het soort ja waarmee je verkleumt in de sneeuw staande zegt dat je werkelijk van witte daken geniet. En van de sneeuw omdat het kerst is. En omdat het jouw voetstappen niet vergeet. Van al het wit omdat dan pas een kerststal echt tot zijn recht komt. En de straat er nog nooit zo onschuldig uitzag. Ik vraag me af wat wijlen mijn vogel zou hebben gezegd. Ik vraag het me niet echt af. Het zijn eerder gewoon gedachten. Ze komen altijd vanzelf. Alsof de vogel me boven het hoofd vliegt. Alsof zij wil gehoord worden. Ik hoor buiten een auto kermen. Ik hoor een man vloeken en tegen een vuilnisbak stampen. Een man die de ganse nacht veel te veel halve liters in het buurtcafé dronk. En dan niks meer. Geen wind of stoeiende sneeuwvlokken. Ook nog geen kinderen die een sneeuwpop in elkaar rollenbollen. Laatste beetje koffie. Lauw ondertussen. Ik loop naar het raam en zie nog net hoe die mopperende man een slalommend spoor in al dat wit achterlaat, vuilnisbak tegen de grond. Of ik met haar het vriespunt wil gaan zoeken, vraagt vogel. Voor het te warm wordt.
Ja graag.