zondag 30 november 2008

Marsepein voor de geest

Te veel stress. Diagnose van de arts. En dan begint hij breed te grijnzen. Steeds breder. De mondhoeken zo ver mogelijk uit elkaar. Tanden bloot. Schone grote witte tanden. Dit is een gezonde man. En hij heeft een oplossing voor me. Een workshop marsepein maken, nu zondag, bij zijn vrouw. Om de geest te ledigen, want je piekert te veel, zegt hij. Hij heeft gelijk, maar hoe groot is die kans. De meeste mensen vinden van zichzelf dat ze te veel piekeren. Goed, marsepein maken dus, waarom ook niet? Er zit te veel ruis in mijn kop en zondagen zijn vaak marktdagen, treuzelend, verlangend, hangend beetje voorlezen aan jezelf.

Marsepeinen figuurtjes op een drietal uurtjes, halverwege onderbroken door een koffiepauze. Geen koekjes, nee, abstinentie van zoetigheid vergroot alleen maar het verlangen en vervolgens ook de voldoening. Een lege gedepriveerde geest belonen met veel suiker, amandelen, kleurstof en oranjebloesem. Via de mond, in eigen gekozen vormpjes. Men ging naar huis en wilde meer, gegarandeerd.
Ik meng de ingrediënten goed door elkaar en kneed tot ik een vaste marsepein heb. Goed kneden, herhaalt de vrouw van de arts. Ze draagt een witte schort met rode bloemen. Ze heeft een rimpelloos gezicht. Ook zij is een gezonde vrouw. En nu maak je figuurtjes die je smakelijk vindt, lacht ze. Ik maak de bloemen op haar schort na, zo goed mogelijk. We mogen natuurlijke kleurstoffen toevoegen, cacaopoeder, kriekensap, saffraanpoeder...Ik kies het kriekensap want ik wil ook rode bloemen.
Tot slot verdwijnen de rode bloemen via de mond met een bijna beestachtige gulzigheid, eerder dan de beoogde therapeutische ontlading na een geaccumuleerde leegte. Ik glimlach naar de vrouw van de arts, een oververzadigde gesuikerde glimlach (plakkerig en glimmend) zoals de meeste mensen van mijn leeftijd dat zouden doen, met ietwat vergeelde tanden en de gebruikelijke portie kreuken in het aanzicht.

Bij het huiswaarts keren met een gesuikerd lichaam, moet ik toegeven dat ik me werkelijk verlicht voel. En ik bedenk dat het vooral de geur van het oranjebloesem moet zijn geweest. Ik flaneer op een hoog tempo en zie het rood roder dan ooit. Mijn gedachten razen. Krijg ze niet tot stilstand, nog meer ruis in die stomme kop. Wel boeiende opmerkelijke ruis. Zo bedenk ik vanzelf en uit het niets enkele creatieve projecten. Kan niet snel genoeg thuis zijn om erin te vliegen.

Enkele uren later besef ik de illusie van de zielsverrukking, de overdosis, verderfelijkheid van enkelvoudige koolhydraten. Voel ik me vooral misselijk en moe, en kom ik tot niets meer. Kan me in geen verte nog herinneren wat de bedoeling is van dat hoopje kranten, die schaar en die pot rode verf naast me.

Toch maar opteren voor de eenvoud van een geestonthoudende cursus mediteren misschien. En een stevige portie diepe slaap.

zondag 23 november 2008

De eerste sneeuw en de vogel


Het wordt ochtend. En blauw wordt wit. Vaalwit eerst. Een straat leek nooit zo onschuldig. Een stilleven nooit zo stil. En de stilte wordt minder ijzig naargelang het steeds meer wit. Meer zwijgzaam. Alsof mensen moe zijn gepraat. Of hun stembanden een poolse ijsvlakte waar je alleen maar op uitglijdt. Ik vraag me af of het voor mensen soms te pijnlijk is, al dat wit. En de kilte waarin dat wit alleen maar kan bestaan. Ik drink mijn koffie en lees dat de vogel (dierbare vrouw) van Christian Beck zal sterven. En hoe hij haar vraagt of ze wil leven en zei hem antwoordt: ja graag. Hij begrijpt het niet. Hoe ze met een lauwwarme graag zijn vraag beantwoordt, alsof het om een kopje thee zou gaan. Hij verwacht een ijskoude dierlijke 'ja'. Het soort ja waarmee je verkleumt in de sneeuw staande zegt dat je werkelijk van witte daken geniet. En van de sneeuw omdat het kerst is. En omdat het jouw voetstappen niet vergeet. Van al het wit omdat dan pas een kerststal echt tot zijn recht komt. En de straat er nog nooit zo onschuldig uitzag. Ik vraag me af wat wijlen mijn vogel zou hebben gezegd. Ik vraag het me niet echt af. Het zijn eerder gewoon gedachten. Ze komen altijd vanzelf. Alsof de vogel me boven het hoofd vliegt. Alsof zij wil gehoord worden. Ik hoor buiten een auto kermen. Ik hoor een man vloeken en tegen een vuilnisbak stampen. Een man die de ganse nacht veel te veel halve liters in het buurtcafé dronk. En dan niks meer. Geen wind of stoeiende sneeuwvlokken. Ook nog geen kinderen die een sneeuwpop in elkaar rollenbollen. Laatste beetje koffie. Lauw ondertussen. Ik loop naar het raam en zie nog net hoe die mopperende man een slalommend spoor in al dat wit achterlaat, vuilnisbak tegen de grond. Of ik met haar het vriespunt wil gaan zoeken, vraagt vogel. Voor het te warm wordt.
Ja graag.

zondag 16 november 2008

Bloemetjesbehang


Vroeger waren wij geen ander gezin dan anderen. Wij hadden dus ook van dat bloemetjesbehang. Ik zeg het je, een kwelling voor de huismuren, huiskamers en vooral de mensen in die huiselijkheid. Ik herinner me nog één specifiek voorval. Grieperig en met veel te hoge koorts lag ik in bed. Al ijlend welteverstaan. Maar al die bloemetjes leken op me af te komen en me te verstikken. Een ware nachtmerrie, zou haast durven zeggen dat het een ietwat posttraumatisch fobieachtig staartje heeft gekregen. Want bloemetjes, schoon. Maar dan in de tuin of op een vensterbank, in de zwarte aarde waaruit ze ontkiemen. Niet boven onze hoofden alleszins. Anderzijds ben ik tussen die muurbloempjes ontmaagd. Door de buurjongen nog wel. Hij had die papieren bloemetjes altijd al ongelooflijk romantisch gevonden, en zo onschuldig. Het wond hem op, geloof ik. En dat bloemetjesveld was een zalfje op de gekwelde naakte lichamen van twee argeloze pubers die elkaar zochten en vonden om dan te versmelten. Met stuifmeel gestoffeerd leek het niet meer dan een simpel huiskamerspeeltje.
Soit. Schetsen op het bloemetjesbehang dus.